
Het
is een regenachtige en koude dag als ik op weg ga naar het ziekenhuis.
Omdat
het raam van mijn auto gemaakt wordt, neem ik vandaag de bus. Het is al een
tijdje geleden dat ik met de bus heb gereisd. Het geeft me de welkome
gelegenheid om achterover te leunen en uit het raam te staren…. de beelden
passeren vreedzaam zonder dat ik er ook maar iets mee te maken heb.
De
regen spettert tegen het busraam. Ik word gegrepen door de kleine
regenriviertjes op het raam, schijnbaar onbewust van elkaars aanwezigheid. Op
het moment dat ze elkaar ontmoeten, smelten ze in een flits samen… ze worden
groter en voller naarmate ze telkens weer riviertjes ontmoeten… Des te breder
de riviertjes worden, des te sneller hun stroom…
Ik
ben gefascineerd door de pracht van deze speelse dans… en opgenomen in de
eenheid als de regen zelf.
Bij
het verlaten van het enorme ziekenhuisgebouw moet ik de weg terugvinden naar de
bushalte. Een vriendelijke man is graag behulpzaam als ik hem de richting vraag:
“Neemt u de lift daar aan de linkerkant, druk op de knop waar “bus” op
staat. Het kan niet missen!”
Nauwelijks
merk ik dat ik de enige ben die de lift instapt. Wel merk ik de modderige vloer
op van de kleine ruimte. Logisch op zo’n regenachtige dag als dit, er moeten
al veel mensen in- en uit zijn gelopen.
Ik
druk op de knop waar “bus” op staat en leun onspannen tegen de muur…
stilletjes en eenvoudig opgenomen in de levensstoom zelf.
Het
moet al een tijdje geduurd hebben voordat ik merk dat de lift niet meer beweegt
en de deur nog steeds gesloten is. Als ik rondkijk zie ik niet op welke
verdieping ik ben. Nadat ik één voor één de knoppen heb ingedrukt lijkt er
nog steeds niets te gebeuren. Op één van de
knoppen staat een bel
afgebeeld en ik besluit deze in te drukken. Er klinkt een sten vanuit het
plafond: “Ja, kan ik u helpen?” Tja, dat weet ik niet,” antwoord ik,
“maar het lijkt erop dat de lift stilstaat en dat ik er niet uit kan.” “Op
welke verdieping bent u?” “Ook dat weet ik niet,”is mijn antwoord.
“Wacht u alstublieft,” spreekt de stem, “we zullen iemand sturen.” Dit,
bedenk ik, is een gepast en geruststellend antwoord. Opnieuw zie ik de modder op
de vloer, trek mijn jas uit, spreid die uit en ga zitten. Het kan wel eens een
poost je duren, bedenk ik.
Op
het moment dat ik in mijn privé Zen-do* zit, verdwijn ik. Er is alleen nog maar
stilte.
Het
eerst teken dat er een wereld bestaat komt van boven. “Is hier iemand in?”
In een flits besef ik dat de wereld om een antwoord vraagt. “Ja,” zeg ik en
val terug in de stilte waar ik vandaan kom.
Ik
ben me er nauwelijks bewust van dat ik soms een beetje naar boven bewogen word
en soms lijkt de beweging een beetje naar beneden te zijn. Niets kan het
heiligdom van de Zen-do werkelijk verstoren. Ik rust in vrede.
Als
de deur plotseling opengaat sta ik op, pak mijn jas en loop naar buiten…
“Hé,
mevrouw, hoe lang heeft u vast gezeten?”
Oh,
iemand moet het tegen mij hebben. In zijn waarneming moet ik zichtbaar zijn,
realiseer ik me. Ik draai me om en kijk in de ogen van twee mecaniciens die bij
de liftdeur staan en mij overduidelijk met grote verbazing waarnemen.
Mijn
stem klink bijna fluisterend als ik zeg: “Ik weet het niet.”
…
en mijn weg vervolg… ogenschijnlijk terug stap in de levensstroom…
Heb
ik ooit werkelijk vast gezeten?
Jivanjili
*meditatiekluis.
********************************